Gepost op

Als het niet beter wordt, laat me dan maar dood gaan

Schermafbeelding 2017-08-07 om 16.18.28

Written by Marije, written for So V’s Choice

De eerste vier jaar van mijn leven waren het leukst, daarna moest ik naar school. Daar leerde ik dat ik in een profiel moest passen, want anders hoorde je er niet bij en dan was je niet goed genoeg en dan wilde niemand met je spelen. Maar ik was een dromer, ik kon me niet goed op taken concentreren, hield me liever bezig met de dingen die ik zelf wel interessant vond. Hoe hard ik ook mijn best deed, ik paste er niet tussen.
Ik kan me nog haarscherp een aantal gedachtes herinneren die ik toen had:

“Ik ben een puzzelstukje die in de verkeerde doos is beland”

en

“iedereen om me heen staat hoger dan ik”

Op een leeftijd van 9 jaar oud was ik daar al van overtuigd en had ik me erbij neergelegd dat dat was hoe het zat.

En de jaren erna veranderden niet veel. Er was ook geen haar op mijn hoofd die eraan dacht dat deze manier van zijn niet normaal was.
Mijn onzekerheid en gevoel van minderwaardigheid hielden me tegen in heel veel dingen en vooral in het maken van vrienden. Dit zorgde voor een neerwaardse spiraal in mijn eigenwaarde en zo ontwikkelde ik een depressie en een persoonlijkheidsstoornis. Pas na de middelbare school, toen mijn depressie een dieptepunt bereikte, ben ik hulp gaan zoeken. Ik automutileerde, ik wilde niet meer:

“als het niet beter wordt, laat me dan maar dood gaan”

Mijn toenmalige vriendin hielp me om een afspraak te maken bij de huisarts.Ik kreeg een verwijsbrief voor de psycholoog, maar die had al snel door dat ik meer hulp nodig had en stuurde me terug naar de huisarts met een brief waarin ze de ernst van mijn problemen benadrukte. Dat is nu zo’n drie jaar geleden.

Na negentien jaar lang me niet goed genoeg gevoeld te hebben, ben ik eindelijk echt gaan vechten voor mezelf. Ik heb verschillende therapieën gedaan waarin ik leerde dat ik er wel toe deed. Dat ik mijn emoties mocht laten bestaan, dat ik op een andere manier met situaties om moest gaan, etcetera. Alle jaren die ik op de basisschool ondergewaardeerd werd, buitengesloten en gepest, moest ik nu gaan inhalen. Na negentien jaar lang geleerd te hebben een mindere te zijn, moest ik mezelf gaan aanleren dat ik ook leuk ben. Dat er mensen zijn die met mij om willen gaan om mij en niet uit medelijden.
Er waren momenten dat ik me goed voelde en het idee kreeg dat alles goed kwam, waarna er weer momenten kwamen dat ik me zo slecht voelde dat ik dacht dat het allemaal voor niets was geweest en ik nooit gelukkig zou zijn. Dat was enorm vermoeiend, bij elke stap vooruit die ik deed kwam ik nieuwe hindernissen tegen. Ik was koppig, geloofde niet in ‘zelf geluk maken’ en ‘als je niet van jezelf houdt, zullen anderen ook niet van je kunnen houden’.
Maar steeds vaker ervaarde ik dat dat wel degelijk was hoe het zat. Ik keek terug op de relatie die ik had gehad terwijl ik op een dieptepunt zat en zag eindelijk hoe moeilijk het voor mijn ex was geweest om van mij te houden, terwijl ik er alles aan deed om haar eraan te herinneren dat ik vond dat ik niks waard was. En ik ervaarde ook dat ik mijn gedachten om kon buigen; in plaats van te denken dat mensen mij er toch niet bij wilde hebben, vertelde ik mezelf nu dat ze me niet uit zouden nodigen als ze me niet wilden zien. Ik begon in te zien dat er mensen waren die mij leuk vonden zoals ík was. Langzaamaan ebde mijn depressie weg en begon ik weer plezier te krijgen in dingen.
Maar de hardnekkigste stemmetjes in mijn hoofd kwamen van mijn borderline persoonlijkheidsstoornis. En die vertelde me nog steeds dat ik er niet mocht zijn. Intussen voelde het alsof ik twee ‘ikken’ had; eentje die rationeel gezien héél goed wist dat ik leuk en goed genoeg was en de ander die volop in de emotionele stand bij elke blik die ik kreeg dacht dat niemand me mocht. Die tweestrijd heeft nog heel lang bestaan in mijn hoofd.

Uiteindelijk hebben de rationele ik en emotionele ik het bijgelegd. Er leek een soort klik te zijn, waar ik stopte met er altijd maar vanuit gaan wat anderen over mij dachten. Dat dingen niet altijd komen omdat mensen me niet mogen, mensen zijn soms gewoon met andere dingen bezig en als ze me aardig vinden dan komen ze vanzelf wel bij me terug. Dat ik gewoon mag vragen om de dingen die ik nodig heb van iemand.

Elke dag moet ik deze dingen nog expliciet tegen mezelf zeggen, maar ik heb er zowaar plezier in gekregen. Het is zo ontzettend fijn om aan mezelf te merken dat ik steeds minder vaak zulke niet-helpende gedachten heb. Bijna alsof je een hond een trucje leert, maar ik leer mijn eigen brein een trucje: het mag nu denken “ik ben écht leuk”.

Groetjes!

Schermafbeelding-2017-08-10-om-11.41.35.png

Geef een reactie